Wat Bruce Springsteen me leerde over de zin van het schrijven

Nu ik Wolfskind nét af heb, komt de vraag op: waarom schrijf ik eigenlijk? Bruce Springsteen gaf tijdens zijn concert het antwoord.

Na het voltooien van een roman breekt een rare periode aan. Een vreemde combinatie van voldoening en onzekerheid. Voldoening, omdat de klus geklaard is. Onzekerheid, omdat het oordeel van de lezer wacht. Hoewel ik geen persoonlijke dingen heb verwerkt in het verhaal, is het toch een kijkje in mijn ziel. Dat maakt het kwetsbaar. Vaak denk ik: was mijn boek maar een baby. Daar is iedereen altijd complimenteus over. Niemand zal tijdens een kraambezoek zeggen: ‘Ik zie zeker de tijd en energie die je erin hebt gestoken, maar het is gewoon niet echt mijn smaak.’

Dat brengt me bij de kern: schrijf ik voor de roes of de roem? De roes van het schrijven van Wolfskind, het heerlijke vacuüm waarin het dagelijkse leven nauwelijks doorsijpelt. Of de roem van enthousiaste lezers en recensenten, een plek op de bestsellerlijst, je hoofd op een poster.

Bruce Springsteen speelde gisteren 3,5 uur lang het Malieveld plat. Het concert raakte me op een bijzondere manier. Niet vanwege de liedjes – mooi, energiek, afwisselend –, of de sfeer – geen rellen en rondvliegende bierflesjes. Maar vanwege de vraag: doet Springsteen het voor de roes of de roem?

De roes, overduidelijk. We stonden te kijken naar iemand die gewoon heel veel plezier heeft in wat hij doet. Iemand die net zoveel lol zou hebben als er geen 67.000 mensen stonden te kijken. Zo is het ook met schrijven. De roem is oppervlakkig en vluchtig en wordt bepaald door anderen. Over de roes heb je zelf de regie. De roes blijft.

Al zijn 67.000 lezers wel fijn natuurlijk.