Ik zag op tegen de eerste judoles van mijn dochter (6 jaar) en zoon (4 jaar). Niet omdat ze geen zin hadden. Integendeel, ze stonden te stuiteren. Maar hoe houd ik mijn andere zoontje (1,5 jaar) drie kwartier rustig op dat kleine, houten bankje? Hoe voorkom ik dat hij de tatami op rent? Dat gebeurde dus al na vijf minuten. Wat de sensei daarover zei, verraste me.

‘Laat hem lekker rennen,’ zei hij lachend. Terwijl mijn dochter en andere zoon tijgerend naar de overkant moesten en duidelijk afgeleid waren door hun broertje. ‘Maar eh, is dat niet onhandig?’ vroeg ik, mijn zoontje tevergeefs lokkend met een doosje rozijnen.

‘Dit is juist goed voor je kinderen, voor alle kinderen,’ zei de sensei. ‘Ze leren om zich te focussen, ook als de omgeving afleidend is. Dat helpt ze op de mat, op school en later op het werk.’

Alleen op het houten bankje had ik tijd om over die woorden na te denken. De sensei had een punt. Je kunt je omgeving nooit helemaal controleren. Succes is het gevolg van concentratie in chaos. In de vaardigheid om je niet af te laten leiden. Of, zoals de sensei me later toefluisterde:

De winnaar is niet de sterkste.

Niet de snelste.

De winnaar is degene die zich het beste kan focussen.

Mijn zoontje van 1,5 had de tijd van zijn leven.

En mijn dochter van 6 bracht de les meteen in de praktijk.

Ze vloerde de sensei met een heupworp.