Category Archives: Nieuws

Ik zag op tegen de eerste judoles van mijn dochter (6 jaar) en zoon (4 jaar). Niet omdat ze geen zin hadden. Integendeel, ze stonden te stuiteren. Maar hoe houd ik mijn andere zoontje (1,5 jaar) drie kwartier rustig op dat kleine, houten bankje? Hoe voorkom ik dat hij de tatami op rent? Dat gebeurde dus al na vijf minuten. Wat de sensei daarover zei, verraste me.

‘Laat hem lekker rennen,’ zei hij lachend. Terwijl mijn dochter en andere zoon tijgerend naar de overkant moesten en duidelijk afgeleid waren door hun broertje. ‘Maar eh, is dat niet onhandig?’ vroeg ik, mijn zoontje tevergeefs lokkend met een doosje rozijnen.

‘Dit is juist goed voor je kinderen, voor alle kinderen,’ zei de sensei. ‘Ze leren om zich te focussen, ook als de omgeving afleidend is. Dat helpt ze op de mat, op school en later op het werk.’

Alleen op het houten bankje had ik tijd om over die woorden na te denken. De sensei had een punt. Je kunt je omgeving nooit helemaal controleren. Succes is het gevolg van concentratie in chaos. In de vaardigheid om je niet af te laten leiden. Of, zoals de sensei me later toefluisterde:

De winnaar is niet de sterkste.

Niet de snelste.

De winnaar is degene die zich het beste kan focussen.

Mijn zoontje van 1,5 had de tijd van zijn leven.

En mijn dochter van 6 bracht de les meteen in de praktijk.

Ze vloerde de sensei met een heupworp.

Waarom ik mijn uitgeverij een onmogelijke naam gaf

Voor het uitgeven van mijn roman Wolfskind richtte ik een eigen uitgeverij op. Ik zei de naam daarvan bij de Kamer van Koophandel. ‘Bent u serieus, meneer Vogels?’

Salon des Refusés. Zo heet mijn uitgeverij. Niet echt een lekkerbekkende en makkelijk te onthouden naam. Toch is Salon des Refusés de beste naam. Dat moest ik wel even uitleggen aan de Kamer van Koophandel.

Tentoonstelling van geweigerde kunstenaars

Salon des Refusés betekent ‘salon van de geweigerden’. Het was een kunsttentoonstelling waar werk van geweigerde kunstenaars te zien was. Ze mochten in 1863 niet exposeren op de officiële Salon in Parijs. De Salon des Refusés was een protest tegen de gevestigde orde. Een protest tegen de jury die bepaalde welke werken tentoon werden gesteld en vooral: welke niet. In 1863 weigerde die jury ongeveer 3000 van de 5000 werken. Te slecht. Te modern. Niet volgens de maatstaven van de realistische kunst waarop sporen van penseelstreken ontbraken. Een schilderij moest een raam zijn waar je doorheen keek om de echte wereld te zien.

Brandmerk

Afgekeurde schilderijen kregen een stempel met de letter ‘R’: Refusé, geweigerd. Als gevolg daarvan waren ze vaak onverkoopbaar. Schilders zagen hun carrière door dat brandmerk in rook opgaan.

Tijdens mijn studie Kunstgeschiedenis luisterde ik al vol bewondering naar de verhalen over de Salon des Refusés waar veel van de geweigerde werken een plek kregen. Daar hingen niet de minste kunstenaars: Monet, Renoir, Courbet en ook Edouard Manet met zijn ‘Le dejeuner sur l’herbe’ dat je bij dit blog ziet. De jury vond het afschuwelijk: slordig geschilderd, brute overgangen van licht naar donker en in het schetsmatige bos ontbreekt de diepte. Laat staan het onderwerp: een prostituee in het Bois de Bologne.

Twijfel

Voor de afgekeurde kunstenaars was het een lastige beslissing om wél op de Salon des Refusés te exposeren. Ze twijfelden – is mijn werk wel verkoopbaar of moet ik het tijdens de volgende officiële salon gewoon opnieuw proberen? Is mijn werk eigenlijk wel goed genoeg? Die twijfel heb ik ook lang gehad. Afwijzingen van uitgevers voedden die twijfel. Nu besef ik dat die twijfel ontstond omdat ik alleen bezig was om een plek te bemachtigen op de officiële Salon – de grote uitgevers van nu. Toen ik toevallig las over de Salon des Refusés besefte ik dat het ook anders kon. Deze Salon is voor mij een symbool van geloof, volhouden en ja, ook een protest tegen de gevestigde orde. Et voila, ik breng Wolfskind zelf uit en vanaf 28 mei is het te koop.

Het afgekeurde schilderij ‘Le dejeuner sur l’herbe’ hangt in het Musée d’Orsay. Het wordt beschouwd als het vertrekpunt van de moderne kunst.

Een openingszin zo pijnlijk als een inenting

Een openingszin kan net zo pijnlijk zijn als een inenting. Dat bewees het artikel over vaccinaties in de NRC Next van afgelopen zaterdag.

Een eerste zin van een artikel schept verwachtingen die je in de rest van het artikel inlost. Daarom is een eerste zin zo belangrijk. Met een vraag, vervreemding of een stevige stelling trek je de lezer je verhaal in. Oordeel zelf over de eerste zin van het artikel in NRC Next over vaccinaties.

De vaccins die in de armen en benen verreweg de meeste baby’s en kinderen in Nederland worden geprikt, redden ieder jaar 36 kinderen het leven.

Moest je die zin ook twee keer lezen? Natuurlijk is het slordig dat het woordje ‘van’ ontbreekt in ‘armen en benen van verreweg …’. Daardoor ben je als lezer al de draad kwijt. Maar die fout was geen bewuste keuze van de journalist. Hij heeft daarentegen wel geprobeerd om de lezer in één zin volledig te informeren. Hij heeft de vurige wens om compleet te zijn. Dat maakt de zin onnodig ingewikkeld.

De overbodige details …
Kijk even mee naar die overbodige details. Allereerst: de bestemmingen van de spuit. Armen én benen. Dat begrijpen mensen wel als het over een vaccinatie gaat. Die spuit wordt zelden in een voet gezet. Overbodig dus, die armen en benen.

Dan de doelgroep van de spuit. Weer zo’n overdaad: baby’s én kinderen. Het noemen van kinderen volstaat. Bovendien noemt de journalist diezelfde kinderen ook aan het einde van de zin.

Is ‘in Nederland’ relevant? Mwah, twijfelgeval. Natuurlijk moet de lezer uiteindelijk begrijpen dat het om 36 kinderen in Nederland gaat. Maar dat kun je ook bewaren voor een tweede zin. Zodat je eerste zin krachtig blijft.
… zetten de lezer op een dwaalspoor
Wat zijn de bijwerkingen van het strooien met details? Allereerst moet je als lezer veel moeite doen om de zin te begrijpen. Met als gevaar dat je afhaakt. Daarnaast blijft de échte boodschap verborgen. De lezer komt op een dwaalspoor. Door het noemen van al die ledematen en doelgroepen denk je heel even dat het artikel gaat over de beste plek van de inenting. Of over de doelgroep. Terwijl de schrijver natuurlijk vooral die 36 kinderen centraal wil zetten. Maak het jezelf als schrijver dus niet te moeilijk. Schrijf dat gewoon op. Zo bijvoorbeeld:

Vaccins redden ieder jaar de levens van 36 kinderen.

Of: 36 kinderen overleven ieder jaar dankzij vaccins.

Houd het simpel
Mijn advies: bewaar je openingszin tot het einde. Schrijf eerst je hele artikel. Kijk of je de eerste alinea écht nodig hebt (vaak kun je die gewoon schrappen). En zet er dan een zin boven die je lezer het verhaal in trekt.

Ken jij nog geniale of tenenkrommende openingszinnen? Laat het me weten. Helaas heb ik de zaterdagkrant verder niet kunnen lezen. Deze zin kostte al een zaterdagmorgen.

NaNoWriMo: een kwestie van discipline en deep work

Op 1 november beginnen sommige mensen aan een enorme uitdaging: een boek schrijven binnen één maand. Nanowrimo (National Novel Writing Month) is inmiddels wereldwijd bekend. Maar kan het wel: zo snel een boek schrijven?

Zeker, het kan. Voor A Clockwork Orange had Burgess drie weken nodig. Robert Louis Stevenson schreef The Strange Case of Dr. Jekyll and Mr. Hyde zelfs binnen zes dagen. Pas verscheen er een interessant artikel in het NRC over een fenomeen dat erg lijkt op zo’n vastomlijnde schrijfperiode: deep work. Anders geformuleerd: extreem geconcentreerd werken. Het idee is simpel: je plant al je activiteiten niet náást elkaar, maar ná elkaar. In Amerika maakt onderzoeker Carl Newport zich bijvoorbeeld een aantal maanden vrij om tijdens die periode alleen maar artikelen te schrijven. Dat werkt beter dan iedere dag een beetje. Zijn productiviteit is verdubbeld. En hij is ook nog gelukkiger geworden. Mooi meegenomen.

Voor het schrijven van mijn roman had ik altijd één dag in de week vrijgemaakt. Zo schreef ik twee, drie jaar lang aan een verhaal. Als ik bijna klaar was, plande ik mezelf enkele weken of maanden (afhankelijk van het enthousiasme van de werkgever) vrij om de puntjes op de i te zetten. Dat kwam er in de praktijk op neer dat ik het héle boek opnieuw schreef. Maar wel binnen die zes of acht weken. Deep work dus, zonder dat ik de term kende.

Terug naar het schrijven van een boek binnen een maand. Veel meer dan het schrijven, is Nanowrimo volgens mij een oefening in discipline. Het vraagt aandacht en concentratie. We zijn met z’n allen een beetje lui geworden, we laten ons snel afleiden. Misschien zit de grootste uitdaging wel in de dingen die je die maand níet moet doen: continu je telefoon en mail checken, Netflixseries kijken, je afvragen waarom de zomer weer is afgelopen, nadenken over Sinterklaascadeaus of over de vraag of met de komst van de herfst ook je eigen leven in verval is geraakt. Nanowrimo is een retraite zonder gebeden, mindfulness zonder meditatie.

Eigenlijk kan ik iedereen aanraden om op 1 november met een boek te beginnen. Zelfs als je geen boek wilt schrijven.

Schrijven: dit kun je leren van mijn dochter en een kunstenaar uit Nepal

Mensen die een boek (willen) schrijven, stellen me vaak twee vragen: hoe begin ik? En wanneer stop ik? Het antwoord komt van mijn dochter van vier en een kunstenaar uit Nepal.

(leeswaarschuwing: niet geschikt voor mensen die concrete tips zoeken)

Je begint zoals mijn dochter
Mijn dochter denkt niet na over de horizon als ze een poppetje tekent. Ze begint gewoon. Dat is ook de beste strategie bij het schrijven. Sommige mensen denken zo lang na over die ene geniale openingszin dat het blokkeert. Creativiteit en een kritische geest zijn geen goede vrienden. Natuurlijk is die eerste zin heel belangrijk. Maar geloof me, daarvoor moeten eerst 50 andere openingszinnen sneuvelen.

Dit was ooit de eerste zin van Wolfskind: ‘Ik ben twaalf jaar en directeur van een museum.’

Uiteindelijk werd het: ‘Vincent de Vree was niet voorbereid om op 29 september een beslissing te nemen die zijn leven zou veranderen.’

Je eindigt zoals een kunstenaar in Nepal
Jaren geleden was ik bij een schildersschool in Nepal. Leerlingen werkten daar met volle concentratie aan de kleinste details van een schilderij. Over iedere millimeter werd nagedacht. Het resultaat was prachtig; de afbeelding hierboven is slechts een detail van het werk dat al jaren bij ons in huis hangt. Heb je een boek geschreven en een eerste (of tweede of derde of vierde of …) versie af? Dan ga je met zo’n fijn penseel aan de slag. Iedere alinea, zin en woord moet een functie hebben in het geheel. Details zorgen voor de glans. Worden de kleuren een waas? Dan ben je (er) klaar (mee).

Soms is een afwijzing precies wat je nodig hebt

 

Afgelopen zaterdag gaf het Algemeen Dagblad Wolfskind vier ****. Mijn roman wordt omschreven als ‘spannend, teder en sprookjesachtig.’ Geweldig natuurlijk. Toch had ik afwijzingen nodig om dit verhaal te kunnen schrijven.

Meer dan 99% van alle ingestuurde manuscripten eindigt bij uitgevers in de prullenbak – en dat aantal stijgt. Zo ging het ook bij mij. Ik stuurde een vroege versie van Wolfskind op naar de uitgeverijen Prometheus, Lebowski en De Arbeiderspers. Prometheus wilde erover nadenken (en doet dat tot op de dag van vandaag). Van Lebowski kreeg ik deze persoonlijke boodschap:

Na lezing door de redactie moeten we u helaas meedelen dat Lebowski Publishers niet zal overgaan tot publicatie. We hanteren een streng acquisitiebeleid waarbij er slechts plaats is voor enkele nieuwe Nederlandse auteurs per jaar. Door het grote aantal manuscripten dat we binnenkrijgen, ligt het niet in ons bereik inhoudelijk commentaar te leveren.

De ommekeer

En toch is een afwijzing soms precies wat je nodig hebt. Een redacteur van De Arbeiderspers nam de moeite om het manuscript te lezen én deze feedback te geven.

Het verhaal is erg netjes geschreven, binnen de lijntjes. Het is erg beschrijvend, niet levendig, afwisselend / sprankelend, met versnellingen. De inhoud van het verhaal is voor mij niet urgent genoeg. De gebeurtenissen raken me niet, ik ben niet meteen gepakt / gegrepen – en dat heb je wel nodig om de aandacht vast te houden. Ton, ik vind het zó jammer je dit te moeten mailen. Maar hier heb je wel het meeste aan: een eerlijke mening.

Dat was pittig. Een klap in mijn gezicht. Maar na de pijn was ik wakker. Ik besefte dat het niet gaat om het goed kunnen schrijven – dat kunnen anderen ook. De kunst is om origineel én oorspronkelijk te schrijven. Om iets te creëren wat er nog niet is.

Bevrijding

Daarom ben ik doorgegaan, of beter: helemaal opnieuw begonnen. Zonder redacteuren, zonder andere boeken te lezen als voorbeeld. Dat werkte bevrijdend. In plaats van het zo goed mogelijk imiteren of overtreffen van anderen, schreef ik een verhaal dat niets met anderen te maken heeft. En kijk: er ontstond een roedel wolven die door een eeuwig woud zwierf. Er ontstond een meisje van 11 dat op zoek was naar haar identiteit. Er ontstond een verhaal dat niemand anders geschreven kon hebben.

Het voelde vreemd om Wolfskind daarna opnieuw naar een uitgever te sturen. Alsof je je kind ter vondeling legt. Vandaar dat ik het zelf heb uitgegeven. Maar dat is weer een ander verhaal.

En nu vier sterren. Sjonge.

Wat Bruce Springsteen me leerde over de zin van het schrijven

Nu ik Wolfskind nét af heb, komt de vraag op: waarom schrijf ik eigenlijk? Bruce Springsteen gaf tijdens zijn concert het antwoord.

Na het voltooien van een roman breekt een rare periode aan. Een vreemde combinatie van voldoening en onzekerheid. Voldoening, omdat de klus geklaard is. Onzekerheid, omdat het oordeel van de lezer wacht. Hoewel ik geen persoonlijke dingen heb verwerkt in het verhaal, is het toch een kijkje in mijn ziel. Dat maakt het kwetsbaar. Vaak denk ik: was mijn boek maar een baby. Daar is iedereen altijd complimenteus over. Niemand zal tijdens een kraambezoek zeggen: ‘Ik zie zeker de tijd en energie die je erin hebt gestoken, maar het is gewoon niet echt mijn smaak.’

Dat brengt me bij de kern: schrijf ik voor de roes of de roem? De roes van het schrijven van Wolfskind, het heerlijke vacuüm waarin het dagelijkse leven nauwelijks doorsijpelt. Of de roem van enthousiaste lezers en recensenten, een plek op de bestsellerlijst, je hoofd op een poster.

Bruce Springsteen speelde gisteren 3,5 uur lang het Malieveld plat. Het concert raakte me op een bijzondere manier. Niet vanwege de liedjes – mooi, energiek, afwisselend –, of de sfeer – geen rellen en rondvliegende bierflesjes. Maar vanwege de vraag: doet Springsteen het voor de roes of de roem?

De roes, overduidelijk. We stonden te kijken naar iemand die gewoon heel veel plezier heeft in wat hij doet. Iemand die net zoveel lol zou hebben als er geen 67.000 mensen stonden te kijken. Zo is het ook met schrijven. De roem is oppervlakkig en vluchtig en wordt bepaald door anderen. Over de roes heb je zelf de regie. De roes blijft.

Al zijn 67.000 lezers wel fijn natuurlijk.

 

Boekcover van Wolfskind: de uitslag!

Het aantal stemmen op mijn boekcover overtreft al mijn verwachtingen. Dank jullie wel. Ik had gehoopt op zo’n 50 reacties. Het zijn er (op 14 maart 2016 19.30 uur) 2041! Gelukkig had ik voldoende stemformulieren gedrukt.

De uitslag is duidelijk: de overgrote meerderheid kiest voor de fotocover. 3 mensen maakten geen keuze. 1 persoon vermoedde een psychologische test. Uiteraard heb ik een veto. Daarom blijft de hamvraag: Welke cover krijgt Wolfskind?

Uitslag coverstrijd

Fotostemmers haten wiskunde

Maar eerst de reacties. Allereerst de fotostemmers. Die reageren vaak kort (1!) of iets langer (kies 1!). De stemmers met nog langere reacties geven vaak aan dat de foto het meest nieuwsgierig maakt. Ze vinden het een mysterieus en mystiek beeld, vooral in combinatie met de titel Wolfskind. Veel stemmers onderbouwen hun standpunt door de negatieve aspecten van de andere cover te belichten. Zo brengt de grafische variant nare herinneringen boven aan een vak als wiskunde, natuurkunde of iets anders technisch. Daarnaast is die andere cover te donker en te gesloten. Tanja van Wuytswinkel vindt die cover nu al gedateerd: ‘beetje early 90’s’.

De andere stemmers gaan voor originaliteit

De selecte club stemmers voor de grafische cover, gebruikt daar opvallend uitgebreidere argumentatie voor. Er lijkt ook meer op het spel te staan. Ze spreken me aan met woorden als ‘durf anders te zijn’. De stemmers (vaak grafisch vormgevers) beginnen hun betoog ook vaak met het neersabelen van de tegenstander. Ze vinden de fotocover een 13-in-een-dozijnoplossing. De grafische cover is eenvoudiger en origineler. Maar ze geven toen dat de foto waarschijnlijk wel meer mensen aanspreekt. Sommigen zijn ook eerlijk over hun motivatie, zoals Maarten van Straten:  ‘omdat 99,9% voor 1 gaat, stem ik voor 2’.

De conclusie

Ik ga verder met de fotocover. De reden is dat de grafische cover weliswaar origineler is, maar niet past binnen het idioom van de lezer (zoals … treffend aangaf). Dit betekent dat een lezer de cover niet meteen met een roman associeert. Met als gevaar dat hij het in de boekhandel links laat liggen en een ander boek pakt. Daarnaast roept de foto de meeste emotie op, maakt nieuwsgierig én past goed bij het verhaal.

Wolfskind gaat over loslaten van het verleden

Dat brengt me bij het verhaal. Waar gaat Wolfskind eigenlijk over? Het gaat over de vraag wanneer je het verleden los moet laten. Daarvoor volg ik aan de ene kant een archeoloog die na een mislukte vondst op zoek is naar eerherstel. Hij probeert een Romeins aquaduct (dat op de fotocover staat) bloot te leggen in de buurt van Nijmegen. Daarnaast leert de lezer Nova kennen, een 12-jarig weesmeisje dat op zoek is naar wie ze is en waar ze vandaan komt. De archeoloog en Nova komen elkaar tegen in een oud klooster. Ze helpen elkaar om de gaten van het verleden te vullen.

Dat brengt me bij een lastig punt: mijn roman is geen thriller. Ik begin niet met een lijk in het bos. De huidige foto in combinatie met de rode letters geeft echter wel een thrillergevoel. Daarom maken we (lees: ontwerper Edo) de cover wat zachter. Bijvoorbeeld door andere kleuren te gebruiken. Natuurlijk zal ik het resultaat delen.

28 mei: boekpresentatie

Nogmaals bedankt voor jullie stemmen! Wolfskind verschijnt 28 mei. Jullie zijn allemaal uitgenodigd voor de boekpresentatie (info volgt). Als de opkomst echter net zo overweldigend groot is als bij deze stemming, moet ik nog wel wat extra blokjes kaas snijden. Dat doe ik graag.

30 proefexemplaren

Voor mijn nieuwe roman Wolfskind besloot ik het anders aan te pakken. Ik liet het 30 mensen lezen. Terwijl het boek nog niet echt af is …

De afgelopen weken heb ik bijna alle lezers gesproken. Het was erg leuk om aan te sluiten bij de leesclubs. Ze hadden zich grondig voorbereid: sommige mensen hadden het zelfs twee keer gelezen. Ik zag boeken vol post-its, lijstjes met vragen. De reacties kwamen in alle smaken: enthousiast, verrast, verward.

Ik ga het nu voor een laatste keer aanpassen. De verhalen van de wolven, Vincent en Nova nog meer in elkaar vervlechten. Nadenken over de vraag hoe je eenzaamheid beschrijft. En hoe een sprookje betekenis kan geven aan de werkelijkheid.

Benieuwd naar de reacties van de Wolfskindpioniers? Check het filmpje: