Author Archives: Ton Vogels

Ik zag op tegen de eerste judoles van mijn dochter (6 jaar) en zoon (4 jaar). Niet omdat ze geen zin hadden. Integendeel, ze stonden te stuiteren. Maar hoe houd ik mijn andere zoontje (1,5 jaar) drie kwartier rustig op dat kleine, houten bankje? Hoe voorkom ik dat hij de tatami op rent? Dat gebeurde dus al na vijf minuten. Wat de sensei daarover zei, verraste me.

‘Laat hem lekker rennen,’ zei hij lachend. Terwijl mijn dochter en andere zoon tijgerend naar de overkant moesten en duidelijk afgeleid waren door hun broertje. ‘Maar eh, is dat niet onhandig?’ vroeg ik, mijn zoontje tevergeefs lokkend met een doosje rozijnen.

‘Dit is juist goed voor je kinderen, voor alle kinderen,’ zei de sensei. ‘Ze leren om zich te focussen, ook als de omgeving afleidend is. Dat helpt ze op de mat, op school en later op het werk.’

Alleen op het houten bankje had ik tijd om over die woorden na te denken. De sensei had een punt. Je kunt je omgeving nooit helemaal controleren. Succes is het gevolg van concentratie in chaos. In de vaardigheid om je niet af te laten leiden. Of, zoals de sensei me later toefluisterde:

De winnaar is niet de sterkste.

Niet de snelste.

De winnaar is degene die zich het beste kan focussen.

Mijn zoontje van 1,5 had de tijd van zijn leven.

En mijn dochter van 6 bracht de les meteen in de praktijk.

Ze vloerde de sensei met een heupworp.

Een openingszin zo pijnlijk als een inenting

Een openingszin kan net zo pijnlijk zijn als een inenting. Dat bewees het artikel over vaccinaties in de NRC Next van afgelopen zaterdag.

Een eerste zin van een artikel schept verwachtingen die je in de rest van het artikel inlost. Daarom is een eerste zin zo belangrijk. Met een vraag, vervreemding of een stevige stelling trek je de lezer je verhaal in. Oordeel zelf over de eerste zin van het artikel in NRC Next over vaccinaties.

De vaccins die in de armen en benen verreweg de meeste baby’s en kinderen in Nederland worden geprikt, redden ieder jaar 36 kinderen het leven.

Moest je die zin ook twee keer lezen? Natuurlijk is het slordig dat het woordje ‘van’ ontbreekt in ‘armen en benen van verreweg …’. Daardoor ben je als lezer al de draad kwijt. Maar die fout was geen bewuste keuze van de journalist. Hij heeft daarentegen wel geprobeerd om de lezer in één zin volledig te informeren. Hij heeft de vurige wens om compleet te zijn. Dat maakt de zin onnodig ingewikkeld.

De overbodige details …
Kijk even mee naar die overbodige details. Allereerst: de bestemmingen van de spuit. Armen én benen. Dat begrijpen mensen wel als het over een vaccinatie gaat. Die spuit wordt zelden in een voet gezet. Overbodig dus, die armen en benen.

Dan de doelgroep van de spuit. Weer zo’n overdaad: baby’s én kinderen. Het noemen van kinderen volstaat. Bovendien noemt de journalist diezelfde kinderen ook aan het einde van de zin.

Is ‘in Nederland’ relevant? Mwah, twijfelgeval. Natuurlijk moet de lezer uiteindelijk begrijpen dat het om 36 kinderen in Nederland gaat. Maar dat kun je ook bewaren voor een tweede zin. Zodat je eerste zin krachtig blijft.
… zetten de lezer op een dwaalspoor
Wat zijn de bijwerkingen van het strooien met details? Allereerst moet je als lezer veel moeite doen om de zin te begrijpen. Met als gevaar dat je afhaakt. Daarnaast blijft de échte boodschap verborgen. De lezer komt op een dwaalspoor. Door het noemen van al die ledematen en doelgroepen denk je heel even dat het artikel gaat over de beste plek van de inenting. Of over de doelgroep. Terwijl de schrijver natuurlijk vooral die 36 kinderen centraal wil zetten. Maak het jezelf als schrijver dus niet te moeilijk. Schrijf dat gewoon op. Zo bijvoorbeeld:

Vaccins redden ieder jaar de levens van 36 kinderen.

Of: 36 kinderen overleven ieder jaar dankzij vaccins.

Houd het simpel
Mijn advies: bewaar je openingszin tot het einde. Schrijf eerst je hele artikel. Kijk of je de eerste alinea écht nodig hebt (vaak kun je die gewoon schrappen). En zet er dan een zin boven die je lezer het verhaal in trekt.

Ken jij nog geniale of tenenkrommende openingszinnen? Laat het me weten. Helaas heb ik de zaterdagkrant verder niet kunnen lezen. Deze zin kostte al een zaterdagmorgen.

NaNoWriMo: een kwestie van discipline en deep work

Op 1 november beginnen sommige mensen aan een enorme uitdaging: een boek schrijven binnen één maand. Nanowrimo (National Novel Writing Month) is inmiddels wereldwijd bekend. Maar kan het wel: zo snel een boek schrijven?

Zeker, het kan. Voor A Clockwork Orange had Burgess drie weken nodig. Robert Louis Stevenson schreef The Strange Case of Dr. Jekyll and Mr. Hyde zelfs binnen zes dagen. Pas verscheen er een interessant artikel in het NRC over een fenomeen dat erg lijkt op zo’n vastomlijnde schrijfperiode: deep work. Anders geformuleerd: extreem geconcentreerd werken. Het idee is simpel: je plant al je activiteiten niet náást elkaar, maar ná elkaar. In Amerika maakt onderzoeker Carl Newport zich bijvoorbeeld een aantal maanden vrij om tijdens die periode alleen maar artikelen te schrijven. Dat werkt beter dan iedere dag een beetje. Zijn productiviteit is verdubbeld. En hij is ook nog gelukkiger geworden. Mooi meegenomen.

Voor het schrijven van mijn roman had ik altijd één dag in de week vrijgemaakt. Zo schreef ik twee, drie jaar lang aan een verhaal. Als ik bijna klaar was, plande ik mezelf enkele weken of maanden (afhankelijk van het enthousiasme van de werkgever) vrij om de puntjes op de i te zetten. Dat kwam er in de praktijk op neer dat ik het héle boek opnieuw schreef. Maar wel binnen die zes of acht weken. Deep work dus, zonder dat ik de term kende.

Terug naar het schrijven van een boek binnen een maand. Veel meer dan het schrijven, is Nanowrimo volgens mij een oefening in discipline. Het vraagt aandacht en concentratie. We zijn met z’n allen een beetje lui geworden, we laten ons snel afleiden. Misschien zit de grootste uitdaging wel in de dingen die je die maand níet moet doen: continu je telefoon en mail checken, Netflixseries kijken, je afvragen waarom de zomer weer is afgelopen, nadenken over Sinterklaascadeaus of over de vraag of met de komst van de herfst ook je eigen leven in verval is geraakt. Nanowrimo is een retraite zonder gebeden, mindfulness zonder meditatie.

Eigenlijk kan ik iedereen aanraden om op 1 november met een boek te beginnen. Zelfs als je geen boek wilt schrijven.

Schrijven: dit kun je leren van mijn dochter en een kunstenaar uit Nepal

Mensen die een boek (willen) schrijven, stellen me vaak twee vragen: hoe begin ik? En wanneer stop ik? Het antwoord komt van mijn dochter van vier en een kunstenaar uit Nepal.

(leeswaarschuwing: niet geschikt voor mensen die concrete tips zoeken)

Je begint zoals mijn dochter
Mijn dochter denkt niet na over de horizon als ze een poppetje tekent. Ze begint gewoon. Dat is ook de beste strategie bij het schrijven. Sommige mensen denken zo lang na over die ene geniale openingszin dat het blokkeert. Creativiteit en een kritische geest zijn geen goede vrienden. Natuurlijk is die eerste zin heel belangrijk. Maar geloof me, daarvoor moeten eerst 50 andere openingszinnen sneuvelen.

Dit was ooit de eerste zin van Wolfskind: ‘Ik ben twaalf jaar en directeur van een museum.’

Uiteindelijk werd het: ‘Vincent de Vree was niet voorbereid om op 29 september een beslissing te nemen die zijn leven zou veranderen.’

Je eindigt zoals een kunstenaar in Nepal
Jaren geleden was ik bij een schildersschool in Nepal. Leerlingen werkten daar met volle concentratie aan de kleinste details van een schilderij. Over iedere millimeter werd nagedacht. Het resultaat was prachtig; de afbeelding hierboven is slechts een detail van het werk dat al jaren bij ons in huis hangt. Heb je een boek geschreven en een eerste (of tweede of derde of vierde of …) versie af? Dan ga je met zo’n fijn penseel aan de slag. Iedere alinea, zin en woord moet een functie hebben in het geheel. Details zorgen voor de glans. Worden de kleuren een waas? Dan ben je (er) klaar (mee).

Soms is een afwijzing precies wat je nodig hebt

 

Afgelopen zaterdag gaf het Algemeen Dagblad Wolfskind vier ****. Mijn roman wordt omschreven als ‘spannend, teder en sprookjesachtig.’ Geweldig natuurlijk. Toch had ik afwijzingen nodig om dit verhaal te kunnen schrijven.

Meer dan 99% van alle ingestuurde manuscripten eindigt bij uitgevers in de prullenbak – en dat aantal stijgt. Zo ging het ook bij mij. Ik stuurde een vroege versie van Wolfskind op naar de uitgeverijen Prometheus, Lebowski en De Arbeiderspers. Prometheus wilde erover nadenken (en doet dat tot op de dag van vandaag). Van Lebowski kreeg ik deze persoonlijke boodschap:

Na lezing door de redactie moeten we u helaas meedelen dat Lebowski Publishers niet zal overgaan tot publicatie. We hanteren een streng acquisitiebeleid waarbij er slechts plaats is voor enkele nieuwe Nederlandse auteurs per jaar. Door het grote aantal manuscripten dat we binnenkrijgen, ligt het niet in ons bereik inhoudelijk commentaar te leveren.

De ommekeer

En toch is een afwijzing soms precies wat je nodig hebt. Een redacteur van De Arbeiderspers nam de moeite om het manuscript te lezen én deze feedback te geven.

Het verhaal is erg netjes geschreven, binnen de lijntjes. Het is erg beschrijvend, niet levendig, afwisselend / sprankelend, met versnellingen. De inhoud van het verhaal is voor mij niet urgent genoeg. De gebeurtenissen raken me niet, ik ben niet meteen gepakt / gegrepen – en dat heb je wel nodig om de aandacht vast te houden. Ton, ik vind het zó jammer je dit te moeten mailen. Maar hier heb je wel het meeste aan: een eerlijke mening.

Dat was pittig. Een klap in mijn gezicht. Maar na de pijn was ik wakker. Ik besefte dat het niet gaat om het goed kunnen schrijven – dat kunnen anderen ook. De kunst is om origineel én oorspronkelijk te schrijven. Om iets te creëren wat er nog niet is.

Bevrijding

Daarom ben ik doorgegaan, of beter: helemaal opnieuw begonnen. Zonder redacteuren, zonder andere boeken te lezen als voorbeeld. Dat werkte bevrijdend. In plaats van het zo goed mogelijk imiteren of overtreffen van anderen, schreef ik een verhaal dat niets met anderen te maken heeft. En kijk: er ontstond een roedel wolven die door een eeuwig woud zwierf. Er ontstond een meisje van 11 dat op zoek was naar haar identiteit. Er ontstond een verhaal dat niemand anders geschreven kon hebben.

Het voelde vreemd om Wolfskind daarna opnieuw naar een uitgever te sturen. Alsof je je kind ter vondeling legt. Vandaar dat ik het zelf heb uitgegeven. Maar dat is weer een ander verhaal.

En nu vier sterren. Sjonge.

Wat Bruce Springsteen me leerde over de zin van het schrijven

Nu ik Wolfskind nét af heb, komt de vraag op: waarom schrijf ik eigenlijk? Bruce Springsteen gaf tijdens zijn concert het antwoord.

Na het voltooien van een roman breekt een rare periode aan. Een vreemde combinatie van voldoening en onzekerheid. Voldoening, omdat de klus geklaard is. Onzekerheid, omdat het oordeel van de lezer wacht. Hoewel ik geen persoonlijke dingen heb verwerkt in het verhaal, is het toch een kijkje in mijn ziel. Dat maakt het kwetsbaar. Vaak denk ik: was mijn boek maar een baby. Daar is iedereen altijd complimenteus over. Niemand zal tijdens een kraambezoek zeggen: ‘Ik zie zeker de tijd en energie die je erin hebt gestoken, maar het is gewoon niet echt mijn smaak.’

Dat brengt me bij de kern: schrijf ik voor de roes of de roem? De roes van het schrijven van Wolfskind, het heerlijke vacuüm waarin het dagelijkse leven nauwelijks doorsijpelt. Of de roem van enthousiaste lezers en recensenten, een plek op de bestsellerlijst, je hoofd op een poster.

Bruce Springsteen speelde gisteren 3,5 uur lang het Malieveld plat. Het concert raakte me op een bijzondere manier. Niet vanwege de liedjes – mooi, energiek, afwisselend –, of de sfeer – geen rellen en rondvliegende bierflesjes. Maar vanwege de vraag: doet Springsteen het voor de roes of de roem?

De roes, overduidelijk. We stonden te kijken naar iemand die gewoon heel veel plezier heeft in wat hij doet. Iemand die net zoveel lol zou hebben als er geen 67.000 mensen stonden te kijken. Zo is het ook met schrijven. De roem is oppervlakkig en vluchtig en wordt bepaald door anderen. Over de roes heb je zelf de regie. De roes blijft.

Al zijn 67.000 lezers wel fijn natuurlijk.